Is het in het belang van het kind als beide ouders na de echtscheiding samen het gezag over het kind uitoefenen?

Op 19 juni a.s. promoveert Constance van Rooijen (1974) op het proefschrift, getiteld Scheiden zonder vrijheid. In haar boek staat de vraag centraal of gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding in het belang van het kind is. De wetgever gaat er kennelijk van uit dat dit wel zo is, want sinds 1998 is in de wet vastgelegd dat beide ouders het gezamenlijk gezag ook na echtscheiding van rechtswege behouden, tenzij dit – zoals in de rechtspraak is aanvaard - niet in het belang van het kind is omdat het in die situatie ‘klem en verloren’ dreigt te raken.
Om de vraag te kunnen beantwoorden of het belang van het kind er inderdaad mee gediend is als beide ouders na de scheiding het gezag blijven uitoefenen, zijn o.m. gescheiden ouders geïnterviewd (gescheiden onder zowel de oude als de nieuwe wetgeving). Uit dit praktijkonderzoek kwam naar voren dat de overgang van vrijwillig gezamenlijk gezag (vóór 1998) naar de verplichte variant (na 1998) geen wezenlijke verandering laat zien in de bereidheid van de ouders om naar consensus ten aanzien van de kinderen te streven (in beide gevallen blijkt die bereidheid zeer groot).
Toch vinden de ouders, die na 1998 zijn gescheiden, de nieuwe regeling beter, omdat die het meeste recht doet aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid die ook tijdens het huwelijk bestond. Opvallend is dat deze ouders na de echtscheiding meer de neiging hebben om ook daadwerkelijk, dus niet alleen in theorie, gezamenlijk beslissingen over de kinderen te blijven nemen. Dit zou de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het verplicht voortduren van gezamenlijk gezag meehelpt aan het meer betrokken zijn van beide ouders bij het leven van het kind.
De auteur komt eveneens tot de conclusie dat het automatisch laten doorlopen van het gezamenlijk gezag na de echtscheiding in het belang van het kind kan zijn, maar verbindt daaraan wel nadere voorwaarden. In dit verband doet zij – mede geïnspireerd door onderzoek in de Verenigde Staten – enkele voorstellen. Zo is zij van mening dat in de wet een lijst van criteria zou moeten worden opgenomen om het belang van het kind nader te definiëren, zodat rechters minder snel de neiging hebben om het belang van de ouders te laten prevaleren.
Verder stelt zij voor om bemiddeling van ouders in echtscheidingsituaties te stimuleren door een landelijk netwerk van adviesbureaus op te richten. Bovendien zou het aanbeveling verdienen als ouders bij de scheiding een ouderschapsplan opstellen waarin wordt afgesproken hoe beide ouders met het belang van het kind zullen omgaan. Tenslotte zou het goed zijn als het kind in moeilijke echtscheidingsituaties door een bijzonder curator wordt bijgestaan.
De eindconclusie van het boek luidt dan ook: automatische voortzetting van gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding is in de meeste gevallen in het belang van het kind, maar is dat niet per definitie.


Constance van Rooijen (1974) studeerde en verrrichtte haar onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij geeft thans leiding aan een juridisch adviesbureau dat tevens cursussen voor de rechterlijke macht en de advocatuur verzorgt (www.de-brink.com).
E-mail: info@de-brink.com