Onderzoekers Arne Popma en Theo Doreleijers.  (Foto Roger Cremers)

Antisociale jongere kent geen angst
Recidivisten hebben lage spiegels stresshormoon en hoge testosterongehaltes
Wat voor mannen al was aangetoond, blijkt nu ook voor jongens op te gaan. Delinquenten met antisociaal gedrag voelen geen angst.

Door onze redacteur Jannetje Koelwijn
Duivendrecht, 19 okt.

Een jongen van twaalf sloopt een bushokje. De politie pakt hem op en stuurt hem naar Bureau Halt. Voor straf moet hij bushokjes schrobben, vier woensdagmiddagen lang. Helpt dat? Of slaat hij een week later zijn buurjongen in elkaar?
Volgens Theo Doreleijers en Arne Popma sloopt een derde tot de helft van de jongens van rond de twaalf die bij Bureau Halt komen na de straf geen bushokjes meer. Ze hebben hun lesje geleerd. Maar die andere jongens hebben helemaal geen lesje geleerd. Die zitten een paar jaar later in een justitiële jeugdinrichting. En als ze eruit komen, gaan ze door naar de volgende ronde. Tachtig procent van hen recidiveert.
Daarom zegt Theo Doreleijers – hoogleraar aan het VU Medisch Centrum en opleider in het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatie De Bascule in Duivendrecht – dat het zinloos is om hen te straffen. „Het helpt gewoon niet.” Hij vindt dat jongens die doorgaan met bushokjes slopen en buurjongens in elkaar slaan, behandeld moeten worden.
De kunst is om te weten welke jongens zich niets van straf aantrekken en zich ontwikkelen tot egocentrische, impulsieve en agressieve moordenaars en verkrachters. Want dan zijn ze niet meer te behandelen.
De Gezondheidsraad schreef dat in mei nog in een advies aan de ministers van Volksgezondheid en Justitie. ‘Genezing van de antisociale persoonlijkheidsstoornis op volwassen leeftijd is nog niet mogelijk.’ Het is beter, vindt de Gezondheidsraad, om te voorkomen dat jongens die stoornis verder ontwikkelen. Maar dan moeten ze wel kunnen worden onderscheiden van de jongens die de stoornis niet hebben.
Arne Popma, die gisteren bij Doreleijers gepromoveerd is, heeft nu vastgesteld dat de jongens van twaalf, dertien en veertien jaar die niet leren van straf gemiddeld minder cortisol (stresshormoon) in hun bloed hebben dan de jongens die wel van straf leren. Ze zijn niet bang en daardoor voelen ze minder stress. Ook heeft hij vastgesteld dat testosteron (mannelijk geslachtshormoon) en openlijke agressie bij een lage cortisolspiegel samengaan. Dat verband is er niet als de cortisolspiegel hoog is. Volgens Arne Popma is de conclusie dat veel cortisol, veroorzaakt door angst, openlijke agressie tegengaat.
Theo Doreleijers zegt dat deze bevindingen een „rationele diagnostiek” weer wat dichterbij brengen. Cortisolspiegels zijn objectief meetbaar. IQ, stoornissen als ADHD, autisme en borderline, gezinssituatie en schoolcarrière – waar forensisch psychiaters ook naar kijken – zijn dat minder, of veel minder.
Dat volwassen delinquente mannen met een antisociale gedragsstoornis minder cortisol in hun bloed hebben was bekend. De Californische hoogleraar psychologie Adrian Raine beschreef het in 1993 in zijn boek The psychopathologie of crime. Neurobiologisch onderzoek naar crimineel gedrag begon toen net weer mogelijk te worden. Door het misbruik dat de nazi’s ervan maakten was het lang in diskrediet geweest. Nu is het normaal dat in onderzoek naar oorzaken van crimineel gedrag wordt gekeken naar neurobiologie, genetische aanleg en omgeving, en naar de wisselwerking daartussen.
Of jongens met antisociaal gedrag ook minder cortisol in hun bloed hadden, was tot nu toe onduidelijk. In sommig onderzoek leek het wel of die jongens hógere cortisolspiegels hadden. En er was meestal alleen maar gekeken naar jongens die in een psychiatrische kliniek waren opgenomen.
Arne Popma – die een van de artikelen in zijn proefschrift samen met Adrian Raine schreef – onderzocht ruim honderd jongens van twaalf, dertien en veertien die bij Bureau Halt waren aangemeld. Een deel van hen had een psychiatrische stoornis, een ander deel niet. Hij vergeleek al deze jongens met jongens die nog nooit met de politie in aanraking waren geweest en die ook geen psychiatrische stoornis hadden.
De cortisolspiegels werden zes keer per dag gemeten. En de jongens moesten allerlei testen doen. Onverwacht vijf minuten een spreekbeurt houden voor drie psychologen achter een spiegelwand. Een computerspel doen waarbij ze werden gefrustreerd en geprovoceerd door een virtuele tegenstander. De delinquente jongens, en vooral de jongens met een psychiatrische stoornis, kregen daar gemiddeld dus minder stress van dan de andere jongens.
Bij alle jongens die bij Bureau Halt komen dan maar meteen een cortisoltest doen? En een test om reacties van het autonome zenuwstelsel te meten? Het is al heel lang bekend dat weinig angst voelen samengaat met een langzamer kloppend hart en minder zweten. Die langzamere hartslag is al te meten bij pasgeboren baby’s. Waarom zouden die jongens niet al veel eerder opgespoord en behandeld kunnen worden?
Omdat het te ver gaat om alle kinderen op die kenmerken te onderzoeken, zeggen Theo Doreleijers en Arne Popma. En die kenmerken hóéven niet te leiden tot crimineel gedrag. Er moeten nog wel een paar dingen bij komen. Mishandeling. Verwaarlozing.
Maar als dat er allemaal is, zegt Theo Doreleijers, dan kan er maar beter zo snel mogelijk iets gedaan worden. Een kind dat op de crèche al zit te bedenken hoe het een ander kind kan pesten, of een kind dat het leuk vindt om de kat de ogen uit te steken – dat voorspelt volgens hem weinig goeds.
Gedragstherapie. Hulp bij de opvoeding. Misschien ooit nog eens medicijnen.
Niet dat die antisociale eigenschappen nog zo maar zullen verdwijnen, zegt Doreleijers. Maar bij kinderen kan wel worden geprobeerd om ze voor iets nuttigs te gebruiken. Een samenleving heeft meer aan een straaljagerpiloot of een mijnenopruimer dan aan een moordenaar.

19 oktober 2006